De basis – een zelfvoorzienende samenleving

Gepubliceerd op 4 oktober, om 15:25u

Voor hun dagelijks levensonderhoud waren de terpbewoners voornamelijk aangewezen op wat hun omgeving opleverde aan voedsel en grondstoffen. Een klein deel van wat ze nodig hadden haalden ze elders. Annet Nieuwhof laat zien hoe de vroege terp- en wierdebewoners zich aanpasten aan het kwelderlandschap en hoe ze voorzagen in hun levensonderhoud.

“Dat is een praktisch verhaal dat voor een groot deel wordt bepaald door het landschap. Het kweldergebied is bepalend voor hoe de mensen er leven.” De bewoners van de terpen en wierden hebben volgens Nieuwhof geen armzalig bestaan. “Met de noodzakelijke aanpassingen leven ze in het prachtige landschap waar we vandaag nog van genieten en wandelen.”

Regelmatige overstromingen
En toch lijkt het landschap niet geschikt om daar te wonen. Wat zijn de eigenschappen van het kwelderlandschap? “Het heeft hogere en lagere delen. Daarnaast zijn er regelmatig overstromingen. Het water is zout en brak. Je hebt dus vegetatie nodig die zoutminnend is en die zout kan verdragend. Daar kom je niet met de normale planten die in het binnenland leven. De vegetatie zoals de bekende Nederlandse bomen willen daar niet.”

Jonge opgeslibde bodems
“Daarnaast is de bodem jong”, vervolgt zij. “In het kweldergebied hebben we vooral jonge opgeslibde bodems. De bodem bestaat uit zand, zilt en klei. Ook bevinden zich in de bodem geen ertsen, zoals metaalerts. De bewoners hebben geen stenen en keien om mee te bouwen. Als laatste is het landschap doorsneden door waterlopen.”

Vlaknederzetting op de kwelder
Hoe ging men met die omstandigheden om? “In de kaarten van het terpen en wierdenland zie we de situatie van rond 600 voor Christus. Friesland en Groningen waren een stuk kleiner. In het veen kon men niet wonen. De eerste bewoners kwamen in de 6e eeuw voor Christus in de kwelder.” De vroegste bewoning is naar alle waarschijnlijkheid een vlaknederzetting. “Zij bouwen het huis direct op de kwelder en deze overstroomt regelmatig. Of ze direct ophogen tot een terp en daarop gaan wonen, valt te betwijfelen. De huizen zijn direct op het vlak gebouwd. Dit blijkt uit recente opgravingen waarbij we huisplattegronden hebben gemaakt op basis van de diepste paalgaten.”

Het huis op een podium
“Het oudste opgegraven huis is van 500 voor Christus. Dit huis is dus bijzonder, omdat het gewoon op het vlak – op de kwelder – is gebouwd”, vervolgt zij haar verhaal. “Hier zien we een paar opvallende dingen. Zo zitten er heel hoge drempels in de muren, van vaak wel 50 centimeter hoog. Vrijwel direct na de bouw zijn de muren opgevuld met kwelderplaggen en mest. De onderkant van de muren zaten in de huisterp. We noemen dit een huispodium. Deze podia zijn iets groter dan het huis.”

Huispodia van plaggen
De bewoners zijn niet alleen gaan wonen op de hoogste delen van de kwelder, ze zijn ook gaan wonen op de middenkwelder. “Tot 50 dagen per jaar is er een overstroming in het gebied. De huispodia zijn hier net iets hoger dan het gemiddelde niveau van het water. De podia mogen niet eroderen door het water en niet uitzakken door het gewicht van de huizen. De structuur van de podia maakt men met lokale middelen. De randen van het podium zijn gemaakt van plaggen. Deze worden opgevuld met nog meer plaggen of mest. Deze bouwwijze gebruikt men van de 5e eeuw voor Christus, maar ook in de Middeleeuwen nog.”

Water uit de rivieren
De bewoners hadden zo onderdak, maar hoe zat het met de eerste levensbehoeften? Nieuwhof loopt ze langs. “Het water bestond vooral uit zoet oppervlaktewater van rivieren uit het binnenland. Veel bewoners woonden bij riviertjes met zoet water. Daarnaast gebruikten ze waterkuilen om het water op te slaan. Zoet water blijft drijven op zout water. Zo ontstaat een zoet water lens die op het zoute water drijft. Na verloop ging men over op waterputten. Voor het vee legde men dobbes of drenkplaatsen aan. Dit was vaak een beetje brak water, maar na een regenbui werd dit weer zoet water. Dit waren relatief grote kuilen. Zo hebben we er een gevonden van 15 meter met een diepte van 3 meter.”

Akkerbouw en veeteelt
Voor het voedsel was men afhankelijk van de akkerbouw (planten verzamelen) en de veeteelt. “We hebben veel dierenbotten, veel mest, huizen met stallen en pootafdrukken gevonden. Bij het vee hebben we koeien en schapen in wisselende verhoudingen gevonden. We hebben ook resten van geiten gevonden, maar deze kwamen waarschijnlijk later. De dieren werden gebruikt voor vlees en zuivel. Hier en daar hebben we nog wel wat varkens gevonden. De bewoners hadden slechts weinig paarden en honden. Die hebben ze ook opgegeten. Kippen komen pas in de Romeinse tijd.”

Koken op mest
De belangrijkste grondstoffen bestaan uit mest en klei, maar niet voor het land. “Elke overstroming bracht tenslotte voldoende mineralen aan. Ze drogen de mest als brandstof om het huis warm mee houden. Maar ook om erop te koken. Een van de mooie eigenschappen van mest is ook het isolerend effect dat het heeft. Daarnaast gebruikt men klei als grondstof voor aardewerk voor potten. Deze hebben we van klein tot heel groot gevonden. Klei werd gebruikt voor kookpotten en opslagvaten. Deze werden lokaal gemaakt.”

Vlas en wol
Ook het been van de dieren was een belangrijke grondstof. “Daar is van alles van gemaakt. Van dobbelstenen tot priemen en de handvatten van messen. De bewoners hadden natuurlijk ook kleding nodig. “Van de schapen werd het wol gebruikt om te spinnen en weven. Hier zijn we verrassend gecompliceerde patronen en gecompliceerde weefsels tegengekomen.” Ook van vlas maakte men linnen. “We hebben vlasstengels en vlaszaden opgegraven en werktuigen waarmee je linnen kunt maken van vlasstengels. Spinnen en weven deed men met een spintol. Een stokje met een vliegwiel. Deze zijn vaak gemaakt van aardewerk of been.”

Van wagens tot kano’s
Als laatste kijken we naar transport. De bewoners van het terpen en wierdenland beschikken over wagens en karren. “Zo hebben we in Ezinge een juk en een linkerwiel gevonden uit de 5e eeuw voor Christus. Deze wielen bestaan uit drie delen. In de Romeinse tijd maken de bewoners ook spaakwielen.” Op de binnenlandse wegen werkt een kar niet altijd even goed. De klei is niet altijd even makkelijk begaanbaar. “In het kustgebied wordt transport over water dan ook steeds belangrijker. Ze bleven dus niet alleen op de Terpen en Wierden, maar gingen erop uit en bezochten andere groepen. Zo legde men langs de kust contacten van Zuid-Holland tot ver in Duitsland. Ze ruilen spullen en trouwen over en weer.”

De boomstamkano
Wat voor boten gebruiken ze daarvoor? “De meest bekende vorm is de boomstamkano. Het is een populair vaartuig in de geschiedenis. De oudste in Drenthe is een 10.000 jaar oude boomstamkano. Tot ver in de middeleeuwen gebleven voor watertransport. Ze redden zich prima met deze kano’s.”

Bekijk de presentatie: Leven op terpen en wierden.