De smaak van de Wadden; over pollen, rogge, tuinbouw, voedselproductie en handel

Gepubliceerd op 4 oktober, om 14:03u

De rode draad in het project ‘Terpen- en wierdenland, een verhaal in ontwikkeling’ komt terug in de inleidingen tijdens het afsluitende symposium: de grote variatie in het gebied. Ook wie, zoals Mans Schepers van het kenniscentrum Landschap van de Rijksuniversiteit Groningen, onderzoek doet naar de landbouw in het terpen- en wierdenland, komt tot de conclusie dat de verschillen groot zijn.

Of je een half uur of anderhalve dag moet lopen voor een handje hazelnoten, daarop raakt je hazelnootbehoefte afgestemd

Met veel enthousiasme en humor nam Schepers de toehoorders in de kerk van Warffum mee in zijn verhaal over wat de terpbewoners aten en hoe ze dat voedsel produceerden. “Of je een half uur of anderhalve dag moet lopen voor een handje hazelnoten, daarop raakt je hazelnootbehoefte afgestemd.”

Geboren boeren

Schepers kwam in zijn inleiding terug op de vraag die Meindert Schroor stelde na de lezing van Annet Nieuwhof. Hoe kan het dat de waddenkustbewoners met de zee binnen handbereik geen grote viseters zijn? Volgens Schepers is dat niet zo raar. De eerste bewoners waren al 3000 jaar boer voordat ze naar de kust kwamen. “Daar gingen ze dus mee verder.” Zoals je altijd ziet wanneer mensen in een gebied gaan wonen, is dat ze wat ze al deden aanpasten aan nieuwe omstandigheden. “Het is niet zo dat ze, zoals Plinius lijkt te suggereren, hun terp opwierpen en lijdzaam de slechte omstandigheden over zich heen lieten komen. Ze zorgden dat ze in het gebied konden leven.”

De bewoners zorgden dat ze in het gebied konden leven

Voor de eerste bewoners betekende dit onder andere een energietransitie. Van hout als brandstof, gingen ze over op mest. Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat het niet ging om pure mest, maar om mest met ‘stalstrooisel’. Dat wil zeggen dat er veel plantenresten in zijn aangetroffen. Het is een van de bewijzen dat de vroegste bewoners al actief aan landbouw deden, aldus Schepers. Maar wat deden ze precies? En waar?

Proefveldjes

Om op die vragen antwoord te kunnen geven, legde hij zelf in het buitendijkse gebied Peazemerlannen 30 proefveldjes aan waar hij gerst en een kleine soort tuinbonen verbouwt. “We weten dat de boeren geen zeekraal en lamsoor kweekten, maar gewassen die ze al kenden. Gerst vind je overal in het gebied. Als je een boor in een terp zet, kom je het tegen. De tuinboontjes zijn ook al in 1920 bij archeologisch onderzoek aangetroffen,” verklaart hij de keuze van de gewassen. Een aantal van de proefveldjes waarop hij daarmee experimenteert, is voorzien van een dijkje, een deel van een greppel en weer een ander deel heeft geen bescherming tegen de zee. Ook deze keuze is terug te voeren op wat uit eerder onderzoek bekend is.

De veldjes zelf en de opbrengst geven informatie over waar en hoe het goed boeren was in het kwelderlandschap. Opvallend is volgens Schepers dat de planten sterk in grootte verschilden afhankelijk van onder meer het zoutgehalte van de bodem, maar dat de opbrengst van grote en kleine planten ongeveer dezelfde was. Daarnaast geven de resultaten aanleiding om aan te nemen dat de akkerbegrenzingen meer functies hadden dan bescherming tegen de zee. Zo bleken de veldjes met een greppel niet alleen geschikter voor de verbouw van de gewassen, maar hielden ze ook vraat van hazen tegen.

Waarom een dijk?

Met een aantal tekeningen liet Scheper zien dat de verbeelding van mensen nu zorgt voor een vertekening van hoe het leven op de terpen en wierden geweest moet zijn. De interessantste vraag die dat wat hem betreft oplevert, is naar hoe we anders dan door onze door dijken gedomineerde kijk naar het gebied kunnen kijken. “Het onderzoek laat zien dat dijken niet per definitie gunstig zijn. Op de bodem heeft de dynamiek bijvoorbeeld een positieve invloed. Het laat ook zien dat je een kwelder kunt manipuleren zonder dijk. Vaak wordt de bedijking gezien als een logisch vervolg op de terpen en wierden; een volgende stap in de geschiedenis van de omgang met het water. Maar volgens mij gaat het om een heel andere manier van kijken naar het landschap en de relatie met de zee.”

Een dijk die je niet hebt, breekt ook niet door

Waarom mensen zijn gaan bedijken is wat Schepers betreft een vraag die de komende jaren onderzocht moet worden, ook vanuit de vraag hoe nu met het gebied om te gaan. “Een dijk die je niet hebt, breekt ook niet door.” De nieuwsgierige en instemmende reacties uit de kerkbankjes maakten duidelijk dat er in ieder geval veel belangstelling is voor dit onderzoek.

Bekijk de presentatie van Mans Schepers.