Het Noord-Nederlandse Terpen en Wierdenlandschap in de 16e en 17e eeuw

Gepubliceerd op 4 oktober, om 21:08u

Jeroen Wiersma neemt het aanwezige gezelschap mee naar het land tussen de Terpen en de Wierden: de kleddernatte knipkleigronden. “Mijn presentatie kent alleen maar dieptepunten”, opent hij gekscherend. “We gaan van de veilige en hoge terpen af en naar de kwelderbekkens. Van het hoge en droge naar het natte en moerassige. Op zoek naar rendabel land.”

“In mijn presentatie gaan we van West-Friesland naar Hallum. We kijken niet alleen naar de terpen, maar juist naar het landschap eromheen.” En hoe de mens hier heeft ingegrepen. Door droog te leggen, in te polderen en te bemalen werd het natte gebied omgetoverd tot rendabele landbouwgrond.

Hoogteverschillen
“Op de kaart zijn de hoge landen geel. Laag is blauw en donkerblauw. Zo worden de hoogteverschillen helder en krijgen we een rangschikking van het kwelderland. De hoogteverschillen kunnen soms groot zijn. Van de terp naar het grasland maak je in een enkel geval een daling van 10 meter. Maar de meeste kwelderbekkens liggen op 3.5 meter. Dat is voor mensen uit het buitenland een lachwekkend hoogteverschil, maar in de zoektocht naar bouwland of hooiland zijn deze verschillen belangrijk.”

Het drassige land
“Zeshonderd voor Christus wordt dit gebied bewoond. Elke keer als een kwelderwal is opgeslibt dan kunnen daar weer mensen gaan wonen. Ze gebruiken een oudere kwelderwal tot een nieuwe kwelderwal is opgeworpen en de kwelderbodems zijn afgezet. En nemen zo steeds meer bezit van het drassige land.”

Knippen en klikken
“Meer landinwaarts kwamen de inwoners knippige gronden en knipklei tegen. Knipklei heet zo omdat het een knippend geluid maakt als je een stuk afbreekt. Deze klei is niet gunstig voor een landbouwer. Omdat de grond slecht doorlatend is staan de gebieden vaak onder water. Het is nat en moerassig. In de zomer droogde de klei snel op en ontstond een harde bovenlaag.” Als boer heb je dus niet veel aan hebben knipkleigronden. “In Groningen heet het overigens knikkleigronden, ook vanwege het knikkend geluid. Het is een zware grondsoort die moeilijk te bewerken is en er is moeilijk doorheen te komen. Gronden met knippige eigenschappen zijn extreem zwaar. Langs de kust is dit niet. Rond 1200 is het gebied rond de Middelzee op gaan slibben. Dat bleek beter geschikt voor akkerbouw.”

Fijnmazige greppels
Een andere manier van ingrijpen zit volgens Wiersma in het zogenaamde microreliëf. “Als je dit landschap bekijkt zie je extreem veel greppels. Het is een aangenaam landschap om in rond te lopen vanwege het contrast tussen de egale landschappen en de landschappen vol greppels daar vlak naast. Niet iedereen begrijpt dat direct. Je moet leren naar zo’n greppel te kijken. Om iets met de laaggelegen gronden te kunnen en het bruikbaar te maken hebben de inwoners greppels gegraven. Deze greppels hadden een minimale afstand van zeven meter. Zo zie je over het hele land een kleinschalig en fijnmazig greppelpatroon. Het is een uitdaging geweest om dit landschap rendabel te krijgen. Op de greppels zie je dwarsgreppels deze komen uiteindelijk uit op een natuurlijke geul. Zo werd het water afgevoerd.”

Spinnenkoppen en gemalen
Windmolens zijn de volgende innovatie waarmee de bewoners aan de slag gaan met het land. “Het terpen en wierdenland stond in de winter voor een groot deel onder water. In 1500 komen de eerste windmolens in Friesland. Vooral in Oaldeboarn bleek goed land te maken met molens. De spinnenkopmolen is tussen 1600 en 1900 bepalend geweest voor het terpen en wierdenland. In de jaren twintig van de 20ste eeuw zijn ze langzaamaan vervangen. Na de oorlog zijn ze vervangen door elektrische gemalen voor de waterlossing.”

Sloten en molens
Ook veel meren worden drooggelegd om land te winnen en het natte karakter te verminderen. “Bij Wijnaldum lag een meer. Het was daar een keer extreem droog, vergelijkbaar met onze zomer dit jaar, toen is het Riedmeer opgedroogd. De inwoners zijn hierop direct sloten gaan graven, molens aan gaan leggen en begonnen met droogleggen van het land.”

Het zwanenmeer
Daar was niet iedereen even blij mee. “De familie Joukema in Sexbierum had een groot belang bij het meer. Zij hadden visrechten en gebruikten het meer voor de zwanenjacht. Zo werden daar zwanen gehouden voor de export, want dat was Engeland een delicatesse. Zij hebben dus nog geprocedeerd tegen het inpolderen van het meer.” Zo worden door het hele gebied meren drooggelegd. “Vaak zie je in de veldnamen dat ze nog herinneren aan het voormalige meer. Nu is dat een stuk opgedroogd land.”

Bekijk de presentatie van Jeroen Wiersma.